Zomerverhaal uit ‘Braiding Sweetgrass’: droom weg bij deze poëtische natuurlegende

Heart + Soul
vlecht van heilig gras, boek, robin wall kimmerer
Karlijn Visser Evelyn van Hasselt

Holistik
07.07.2022

Heb je weleens van het boek Braiding Sweetgrass gehoord? Deze bestseller, inmiddels in 17 talen vertaald en al meer dan 100 weken op The New York Times bestsellerlijst, is nu ook in het Nederlands verkrijgbaar. In Een vlecht van heilig gras laat botanicus en professor bosecologie Robin Wall Kimmerer op inspirerende en indringende wijze zien hoe belangrijk het is dat we ons opnieuw verbinden met de natuur. Voor ons eigen welzijn, maar óók voor dat van de planeet. Haar kennis over planten, de legenden van haar inheems-Amerikaanse voorouders en haar poëtische verhalen veranderen je kijk op de natuur en duurzaamheid. Hieronder delen we vast een verhaal uit haar boek, ‘Vergadering van pecannotenbomen’. Heerlijk om bij weg te dromen in de zon… 

Zomerverhaal uit ‘Braiding Sweetgrass’: droom weg bij deze poëtische natuurlegende

Robin Wall Kimmerer stamt af van de Potwatomi, een inheemse stam die in de VS leeft. Ze is botanicus en professor in bosecologie en een geliefd verhalenverteller. In haar boeken brengt ze inheemse kennis over en laat ze zien hoe deze onze planeet altijd heeft beschermd, en misschien ook nog kan redden.

Redacteur Nathalie: ‘Dit boek staat al een tijdje op mijn lijstje. Een wijze vrouw die verhalen vertelt over de natuur en het leven, dan spits ik meteen mijn oren. Al na het lezen van de eerste paar woorden had ik het gevoel dat ik samen met de schrijfster bij een kampvuurtje zat. Precies zoals bij het lezen van Women Who Run With the Wolves van Clarissa Pinkola Estés, nog zo’n wijze verhalenverteller. Hoewel beide vrouwen ook schrijven over verwoesting, heb je toch het gevoel dat ze met hun woorden iets baren en leven geven. Lees je mee?’

Verhaal uit ‘Een vlecht van heilig gras’: Vergadering van pecannotenbomen

Robin Wall Kimmerer: ‘September 1895. De hitte zindert boven de grassen, de lucht is zwaar en wit en gonst van het gezoem van cicaden. Ze lopen al de hele zomer zonder schoenen, maar toch prikt het droge stoppelveld onder hun voeten terwijl ze over de zonverbrande prairie draven, als grasdansers hun hielen optillend. Jonge wilgentwijgen in verschoten tuinbroeken, meer niet; onder hun smalle bruine borstkas zijn hun ribben te zien wanneer ze rennen. Ze buigen af en zetten koers naar het schaduwrijke, kleine bos waar het gras zacht en koel is onder de voeten, en laten zich met de losse nonchalance van jonge knullen in het hoge gras ploffen. Ze rusten even uit in de schaduw en springen dan weer op, een paar sprinkhanen weggrissend als aas.

De vishengels staan nog precies waar ze ze hebben achtergelaten, tegen een oude populier. Ze steken de haken door de rug van de sprinkhanen en gooien een lijn uit, terwijl het koele slib van de kreek tussen hun tenen omhoogdringt. Maar het water in het armzalige geultje dat de droogte heeft achtergelaten beweegt nauwelijks. Er bijten alleen een paar muggen. Na een tijdje lijkt het vooruitzicht van een avondmaal met vis even hol te zijn als hun maag, onder een verschoten denim broek die met twijndraad omhoog wordt gehouden. Het ziet ernaar uit dat ze vanavond alleen maar broodjes met dunne jus eten. Alweer. Ze vinden het vreselijk om met lege handen naar huis te gaan en hun moeder teleur te stellen, maar zelfs een droog broodje vult de maag.

Deze streek, waar de Canadian River doorheen stroomt, midden in Indian Territory, het ‘indianengebied’, is een golvende savanne met groepjes bomen op het laaggelegen land langs de rivier. Veel ervan is nooit beploegd, omdat niemand een ploeg heeft. De jongens volgen de stroom van bosje naar bosje terug naar huis, in de hoop ergens een diepe poel te vinden, maar ze komen niets tegen. Totdat een van hen zijn teen stoot tegen iets hards en ronds dat verborgen ligt in het hoge gras.

Een broek vol pecannoten

Eerst is er één, dan nog één, en nog één – zoveel dat hij bijna niet meer weet waar hij zijn voeten moet neerzetten. Hij raapt een hard, groen balletje op en werpt het in een rechte streep tussen de bomen door naar zijn broer en roept: ‘Piganek! Laten we ze mee naar huis nemen!’ De noten zijn net begonnen te rijpen en te vallen en het gras ligt er bezaaid mee. De jongens vullen vliegensvlug hun zakken en stapelen er nog een hoop op in hun armen. Pecannoten zijn lekker, maar lastig mee te nemen, alsof je een berg tennisballen probeert te dragen: hoe meer je er opraapt, hoe meer er op de grond terechtkomen. Ze gaan niet graag met lege handen naar huis, en mama zou hier blij mee zijn, maar je kunt niet meer dan een handvol dragen…

De hitte neemt iets af wanneer de zon ondergaat en de avondlucht neerdaalt langs de oever van de rivier; voor de broers is het nu koel genoeg om naar huis te rennen voor het avondeten. Mama roept hen en de jongens komen aanrennen, hun magere benen stampend en hun onderbroeken wit oplichtend in het afnemende licht. Het lijkt wel of ze ieder een groot gespleten houtblok dragen dat als een juk over hun schouders hangt. Met een triomfantelijke grijns gooien ze ze voor haar voeten op de grond: twee versleten broeken, bij de enkels dichtgebonden met twijndraad en propvol noten.

Een van die magere jongetjes was mijn grootvader, hongerig genoeg om voedsel te verzamelen wanneer hij iets tegenkwam. Hij woonde in een hut op de prairie van Oklahoma toen dat nog Indian Territory was, vlak voordat het allemaal verdween. Het leven mag dan onvoorspelbaar zijn, we hebben nog minder controle over de verhalen die ze over ons vertellen wanneer we er niet meer zijn. Hij zou dubbel hebben gelegen van het lachen als hij te horen had gekregen dat zijn achterkleinkinderen hem niet kenden als een onderscheiden Eerste Wereldoorlog-veteraan of handige automonteur, maar als een jongetje op blote voeten dat in het reservaat in zijn onderbroek naar huis rende met zijn broek volgepropt met pecannoten.

Trail of Death

Het woord ‘pecan’ – de vrucht van de pecannotenboom (Carya illinoensis, een hickorysoort) – vindt zijn oorsprong in inheemse talen. Pigan is het algemene woord voor ‘noot’. De hickory’s, zwarte walnoten en witte walnoten uit ons noordelijke vaderland hebben hun eigen specifieke namen. Maar mijn volk is deze bomen, net als haar geboortegrond, kwijtgeraakt. Kolonisten wilden ons land rond Lake Michigan hebben, dus werden we in lange rijen, onder schot gehouden door soldaten, naar een andere plaats gebracht, ver weg van onze meren en bossen. Deze verplaatsing werd later de Trail of Death genoemd: de Tocht des Doods. Maar ook op dat gebied had iemand zijn oog laten vallen, dus werd het beddengoed opnieuw opgerold en ingepakt, dunner deze keer. Binnen één enkele generatie werden mijn voorouders drie keer ‘verwijderd’: van Wisconsin naar Kansas naar plekken ertussenin, en toen naar Oklahoma. Ik vraag me af of ze omkeken voor een laatste glimp van de meren, glinsterend als een luchtspiegeling. Raakten ze ter herinnering de bomen aan toen die steeds schaarser werden, tot er alleen nog maar gras was?

Langs de route werd veel achtergelaten. Graven van de helft van de mensen. Taal. Kennis. Namen. Mijn overgrootmoeder Sha-note, ‘wind die erdoorheen waait’, kreeg een nieuwe naam: Charlotte. Namen die de soldaten of missionarissen niet konden uitspreken werden niet toegestaan.

Eenmaal in Kansas moeten ze opgelucht zijn geweest dat ze groepjes notenbomen langs de rivieren aantroffen. Een soort die ze niet kenden, maar heerlijk en overvloedig. Omdat ze de naam van dit nieuwe voedsel niet wisten, noemden ze de vruchten simpelweg ‘noten’. Pigan, om precies te zijn, wat in het Engels pecan werd. Ik bak alleen pecannotentaart met Thanksgiving, als we met een heleboel mensen zijn om hem op te eten. Ik ben er niet eens zo dol op, maar ik wil de boom graag eren. Wanneer ik gasten rond de grote tafel deze vruchten te eten geef, moet ik denken aan de bomen die onze voorouders verwelkomden toen ze eenzaam en moe waren, en zo ver van huis.

De panvis van het bos

De jongens kwamen dan misschien zonder vis thuis, maar ze brachten wel bijna net zoveel eiwitten mee als wanneer ze een paar meervallen hadden gevangen. Noten zijn als het ware de panvis van het bos, rijk aan eiwitten en vooral vet. Armeluisvlees – en arm waren ze. Nu eten we ze op een verfijnde manier, gepeld en geroosterd, maar vroeger werden ze meegekookt in pap. Het vet kwam bovendrijven zoals bij kippensoep, en dat werd er dan afgeschept en opgeslagen als notenboter: goede winterkost. Rijk aan calorieën en vitaminen, dus alles wat je nodig hebt om in leven te blijven. Dat is uiteindelijk precies waar noten toe dienen: het embryo alles geven wat nodig is om een nieuw leven te beginnen.

Witte walnoten, zwarte walnoten, hickory’s en pecannoten zijn nauw verwante leden van dezelfde familie (Juglandaceae). Mijn volk droeg ze altijd bij zich, waar het ook heen ging, zij het vaker in manden dan in broekspijpen. Tegenwoordig groeien pecannotenbomen langs de rivieren die door de prairies stromen, op de vruchtbare oevers waar mensen zich vestigden. Volgens mijn buren, die tot de Haudenosaunee behoren, waren hun voorouders zo dol op witte walnoten dat als je ergens een groepje wittewalnotenbomen ziet, je kunt aannemen dat daar vroeger een dorp heeft gelegen. En waarachtig, op de heuvel boven de bron bij mijn huis staat een groepje witte walnoten, bomen die zelden voorkomen in een wild bos. Elk jaar haal ik het onkruid rond de jonge bomen weg en geef ik ze een emmer water wanneer de regen uitblijft. Ter herinnering. Op een lapje grond in Oklahoma liggen de resten van het oude huis van mijn familie in de schaduw van een pecannotenboom. Ik verbeeld me dat mijn grootmoeder de noten uitstortte om ze te verwerken en dat er één wegrolde naar een gunstig plekje aan de rand van de voortuin. Of misschien voldeed ze haar schuld aan de bomen door er meteen een handvol te planten.

Reserves voor moeilijke tijden

Als ik weer aan dat oude verhaal terugdenk, realiseer ik me hoe slim het van de jongens was om er zo veel mogelijk mee naar huis te nemen. Notenbomen dragen niet elk jaar vruchten, maar doen dat met onvoorspelbare tussenpozen. Sommige jaren kan het niet op, maar de meeste jaren is het honger lijden – een cyclus van zogenoemde mast- en beurtjaren. In tegenstelling tot sappige vruchten en bessen, die je uitnodigen om ze meteen op te eten voordat ze bederven, beschermen noten zichzelf met een harde, bijna stenige schil en een groen, leerachtig vliesje. Het is juist níét de bedoeling dat je ze meteen opeet, met sap dat langs je kin loopt. De noten zijn bedoeld voor de winter, wanneer we vet en eiwitten nodig hebben, en veel calorieën om warm te blijven. Ze zijn een reserve voor moeilijke tijden, het embryo van het overleven. De beloning is zo kostbaar dat de inhoud wordt beschermd in een kluis met een dubbel slot, een doos in een doos. Die constructie beschermt het embryo en zijn voedselvoorraad binnenin, maar zorgt er ook voor dat de noot ergens op een veilige plek gehamsterd wordt.

Het is een heel karwei om door de schil heen te komen, en een eekhoorn zou wel heel dom zijn als hij op een open plek op een noot ging zitten knagen, waar een havik makkelijk zou kunnen profiteren van zijn gezwoeg. Noten zijn bedoeld om naar binnen te worden gebracht, om voor later bewaard te worden in een geheime opbergplaats van een aardeekhoorn of in de aardkelder van een hut in Oklahoma. Zoals dat nou eenmaal gaat bij voorraden worden er geheid een paar vergeten, en dan komt er een boom tevoorschijn. Om op deze manier nieuwe bossen voort te brengen, moet elke boom heel veel noten produceren – zoveel dat de zaadeters erdoor overstelpt worden. Als een boom elk jaar maar weinig noten zou maken, zouden die immers allemaal opgegeten worden en zou er geen volgende generatie pecannotenbomen komen. Maar omdat noten een hoog caloriegehalte hebben, kunnen de bomen zich zo’n enorme productie niet veroorloven: ze moeten ervoor sparen, zoals een gezin spaart voor een bijzondere gebeurtenis. Ze zijn jaren bezig om suiker te maken, en in plaats van de suiker beetje bij beetje op te gebruiken, stoppen ze deze in de spreekwoordelijke oude sok en slaan ze calorieën als zetmeel op in hun wortels. Pas wanneer ze ruim voldoende hebben gespaard, gaan ze aan de slag. En zo kon mijn grootvader kílo’s noten mee naar huis nemen.

Het hele bos, in het hele land

De cyclus van mast- en beurtjaren blijft voor boomfysiologen en evolutionair biologen een geliefd onderwerp om hypothesen op los te laten. Bosecologen veronderstellen dat de cyclus de uitkomst is van een eenvoudig energiesommetje: produceer alleen vruchten wanneer je het je kunt veroorloven. Dat klinkt logisch, maar bomen groeien niet allemaal even snel en leggen ook niet in hetzelfde tempo een voorraad calorieën aan. Dat tempo is afhankelijk van hun habitat. Net als de kolonisten die de vruchtbare landbouwgrond kregen, zouden de bofkonten volgens die theorie snel rijk worden en vaak vruchten dragen, terwijl hun buren in de schaduw het moeilijk zouden hebben, slechts zelden overvloedig zouden kunnen produceren en er jaren over zouden doen om zich voort te planten. Als dat zo was, zouden alle bomen volgens hun eigen schema vruchten dragen, afhankelijk van de omvang van hun voorraad opgeslagen zetmeel. Maar dat doen ze niet. Als één boom vruchten draagt, doen ze dat allemaal: er zijn geen solisten. Niet één boom in een groep, maar de hele groep; niet één groep bomen in een bos, maar het hele bos, in het hele land. De bomen gedragen zich niet als individuen, maar op de een of andere manier als een collectief. Hoe ze dat precies doen, dat weten we nog niet. Maar wat we zien, is de kracht van samenwerking. Wat er één overkomt, overkomt ons allemaal. We kunnen samen verhongeren – of samen smullen. Alleen door onderlinge samenwerking kan iets gedijen.

Het land lezen

In de zomer van 1895 waren de aardkelders in heel het Indian Territory gevuld met pecannoten, net als de buik van jongens en eekhoorns. Voor de mensen voelde de overvloed als een geschenk, een overdaad aan voedsel dat ze simpelweg van de grond konden oprapen. Dat wil zeggen: als ze de eekhoorns voor waren. En anders was er die winter altijd nog volop eekhoornstoof. De groepjes pecannotenbomen bleven maar geven. Zulke gemeenschappelijke vrijgevigheid lijkt misschien niet te rijmen met het evolutieproces, waarbij het erom draait dat het individu overleeft, maar we gaan de mist in als we het welzijn van het individu los zien van de gezondheid van de groep. Het geschenk van overvloed van de pecannotenbomen is namelijk ook een geschenk aan henzelf. Door eekhoorns en mensen te overvoeden, stellen ze hun eigen voortbestaan veilig. De genen die voor de cyclus van mast- en beurtjaren zorgen, worden in de stroom van de evolutie meegenomen naar de volgende generaties, terwijl de exemplaren die niet in staat zijn om mee te doen worden opgegeten, wat het einde van hun evolutie betekent. Bij mensen werkt het vrijwel net zo: degenen die het land kunnen ‘lezen’ en weten wanneer er volop noten zijn, die ze dan dus kunnen meenemen en opslaan, zullen de februaristormen overleven en dat gedrag doorgeven aan hun nageslacht. Mensen doen dat alleen niet door genetische overdracht, maar door cultureel gebruik.

Boswetenschappers verklaren het verschijnsel van mast- en beurtjaren aan de hand van de roofdierverzadigingshypothese. Volgens hen zit het zo: wanneer bomen meer produceren dan de eekhoorns kunnen eten, blijft een deel van de noten ongemoeid liggen. En wanneer de provisiekamers van de eekhoorns vol liggen met noten, krijgen de mollige, zwangere mama’s per worp meer jongen en schiet de eekhoornpopulatie omhoog. Dat betekent meer voedsel voor haviken en vossen, waardoor havikmama’s meer baby’s krijgen en het ook in de vossenholen dringen wordt. Maar zodra de herfst weer aanbreekt is het voorbij met de pret, want de bomen zijn gestopt met de notenproductie. De eekhoorns vinden weinig om hun provisiekamer mee te vullen – ze komen met lege handen thuis – en moeten dus nog beter zoeken, waarbij ze zich blootstellen aan de nu grotere populatie van oplettende haviken en hongerige vossen. De verhouding tussen roof- en prooidieren is ongunstig voor de eekhoorns, en hun populatie keldert doordat ze verhongeren en ten prooi vallen aan roofdieren. Het wordt stil in het bos zonder hun bedrijvigheid. Je kunt je voorstellen dat de bomen dan tegen elkaar fluisteren: ‘Er zijn nog maar een paar eekhoorns over. Zou dit niet een goed moment zijn om noten te maken?’ Overal in het landschap verschijnen pecanbloemen die er klaar voor zijn om er weer een topjaar van te maken. Samen overleven en gedijen de bomen.

Weggerukt van eigen land

Door de zogeheten Indian Removal Act, een federale wet die voorzag in de gedwongen verplaatsing van de oorspronkelijke inwoners van de Verenigde Staten naar een speciaal voor hen gereserveerd gebied, werden veel inheemse volkeren van hun land weggerukt. Ze werden gescheiden van hun traditionele kennis en levenswijzen, van de beenderen van hun voorouders, van de planten die hen voedden – maar zelfs dat kon hun identiteit niet verwoesten. Daarom probeerde de overheid een nieuw middel en scheidde ze de kinderen van hun familie en cultuur door hen ver weg naar school te sturen. Lang genoeg, hoopten ze, om ervoor te zorgen dat ze vergaten wie ze waren.

In heel het Indian Territory zijn documenten te vinden waaruit blijkt dat witte tussenpersonen een premie ontvingen wanneer ze kinderen verzamelden die naar kostscholen van de overheid konden worden gebracht. Later moesten ouders formulieren ondertekenen om hun kinderen ‘wettig’ te laten gaan. Alsof ze daarin een keuze hadden. Ouders die weigerden vlogen de gevangenis in. Mogelijk ondertekenden sommigen het formulier in de hoop op een betere toekomst voor hun kinderen dan op een boerderij in een dorre streek. Soms werden overheidsrantsoenen – van graanwormen vergeven meel en ranzige varkensreuzel die de bizon moesten vervangen – ingehouden tot de papieren ondertekend waren. Misschien was het een goed pecannotenjaar toen de tussenpersoon nog een seizoen op afstand gehouden kon worden. De dreiging om te worden weggestuurd was voor een kleine jongen genoeg reden om halfnaakt naar huis te rennen met zijn broek volgepropt met voedsel. En misschien was het een slap pecannotenjaar toen de witte tussenpersoon weer langskwam, op zoek naar magere, bruine kinderen die geen avondmaal in het vooruitzicht hadden. Misschien was dat het jaar waarin mijn grootmoeder de papieren ondertekende.

Kinderen, taal, land: bijna alles werd weggehaald, gestolen als je even niet keek omdat je druk bezig was met overleven. Ons volk raakte veel kwijt, maar één ding waar we geen afstand van konden doen was de betekenis van land. Voor de kolonist betekende land grondbezit, onroerend goed, kapitaal of natuurlijke hulpbronnen. Maar voor ons was het alles: identiteit, de verbinding met onze voorouders, het thuis van onze niet-menselijke familie, onze apotheek, onze bibliotheek, de bron van alles wat ons overeind hield. Ons land was de grond waarop we uiting gaven aan onze verantwoordelijkheid tegenover de wereld – heilige grond. Het was van zichzelf; het was een geschenk, geen handelsartikel, dus het kon nooit verkocht of gekocht worden. Dat was de betekenis van land die we met ons meenamen toen we van onze oude geboortegrond naar nieuwe plekken werden verplaatst. Maar of het nu ging om onze geboortegrond of de nieuwe stukken grond die ons werden opgedrongen, land waarop we gezamenlijk leefden gaf ons kracht, iets om voor te vechten. En die overtuiging was in de ogen van de federale overheid een gevaar.

Een permanent thuis vinden

Na duizenden kilometers van gedwongen verplaatsingen en verliezen, waarna mijn volk zich eindelijk in Kansas gevestigd had, klopte de federale overheid opnieuw aan om de zoveelste verplaatsing aan te kondigen, deze keer naar een plek die voor altijd van hen zou zijn – een verplaatsing om een einde te maken aan alle verplaatsingen. Bovendien kregen ze de kans om Amerikaanse staatsburgers te worden, om deel uit te maken van het geweldige land dat hen omringde en om door de Amerikaanse macht beschermd te worden. Onze leiders, onder wie de grootvader van mijn grootvader, bestudeerden en bespraken het aanbod en stuurden afgevaardigden naar Washington om te overleggen. Dat de Amerikaanse grondwet de inheemse volkeren geen enkele manier bood om hun geboortegrond te beschermen hadden de gedwongen verplaatsingen maar al te duidelijk gemaakt. Maar de grondwet beschermde wél expliciet de landrechten van burgers die particuliere grondbezitters waren. Dus misschien was dat de manier om een permanent thuis voor het volk te bemachtigen.

De leiders werd de Amerikaanse droom aangeboden, het recht om als particulier hun eigen stukje grond te bezitten, ongehinderd door het grillige beleid ten aanzien van oorspronkelijke bewoners. Ze zouden nooit meer van hun land verdreven worden. Er zouden geen graven langs stoffige wegen meer bij komen. Het enige wat ze moesten doen, was hun traditie van gemeenschappelijk grondbezit opgeven en instemmen met particulier eigendom van land. Met een zwaar gemoed overlegden ze de hele zomer; ze konden maar niet beslissen en wikten en wogen de mogelijkheden, die niet talrijk waren. Families waren het niet met elkaar eens. In Kansas blijven op gemeenschappelijke grond en het risico lopen alles kwijt te raken, of als particuliere grondeigenaren met een wettelijke garantie naar Indian Territory gaan? De historische raad kwam heel die hete zomer bijeen op een schaduwrijke plek die bekend kwam te staan als Pecan Grove.

Gemeenschappelijke taal van dieren & planten

We weten al eeuwenlang dat planten en dieren overleg voeren en een gemeenschappelijke taal hebben. Vooral de bomen erkennen we als onze leraren. Maar schijnbaar luisterde die zomer niemand toen de Pecannotenbomen raad gaven: blijf samen, handel als één. Eendracht maakt macht, zo hebben wij Pecannotenbomen geleerd. De eenzame enkeling wordt net zo makkelijk neergehaald als de boom die op het verkeerde moment vruchten heeft gedragen. Maar de wijze woorden van de Pecannotenbomen werden niet gehoord, of ze werden in de wind geslagen.

En dus pakten onze families hun spullen nog één keer in en trokken ze naar het westen, naar Indian Territory, het beloofde land, om de Citizen Potawatomi-natie te worden. Moe en stoffig maar vol hoop voor de toekomst vonden ze de eerste avond op hun nieuwe stuk land een oude vriend: een groepje pecannotenbomen. Ze zetten hun wagens in de beschutting van de takken en begonnen opnieuw. Ieder stamlid, zelfs mijn grootvader, een baby nog maar, kreeg het eigendomsrecht op een lapje grond dat de federale overheid groot genoeg achtte om er als boer van te kunnen leven. Door het burgerschap te accepteren, zorgden onze families ervoor dat hun lapjes grond niet van hen afgepakt konden worden. Tenzij een burger zijn belasting natuurlijk niet kon betalen. Of een veefokker een vaatje whisky en veel geld voor zo’n stukje land bood – ‘volkomen eerlijk’. Niet-toegewezen stukken grond werden door kolonisten ingepikt zoals hongerige eekhoorns pecannoten weggrissen. In de periode dat de grond werd toegewezen, nam de oppervlakte die beschikbaar was voor de oorspronkelijke bewoners met meer dan twee derde af. Amper een generatie nadat ze – door het opgeven van hun gemeenschappelijke grond en de keuze voor particulier bezit – gegarandeerd waren van land, was dat land grotendeels verdwenen.

Pecannotenbomen en hun verwanten bezitten het vermogen om gezamenlijk in actie te komen en hebben een eensgezindheid waardoor ze sterker staan dan de bomen die alles in hun eentje moeten doen. Op de een of andere manier werken ze allemaal samen, waardoor ze kunnen overleven. Hoe ze dat doen, weten we zoals gezegd nog niet. Er zijn aanwijzingen dat bomen vruchten beginnen te produceren na bepaalde signalen uit de omgeving, zoals een bijzonder nat voorjaar of een lang groeiseizoen. Zulke gunstige fysieke omstandigheden dragen ertoe bij dat alle bomen een overschot aan energie hebben dat ze voor noten kunnen gebruiken. Maar gezien de individuele verschillen in habitat lijkt het onwaarschijnlijk dat alleen de omgeving de sleutel is tot het synchrone gedrag.

Nieuw! Yoga Nidra & Slaap Pakket

Jouw gids naar je diepste slaap ooit
Bestel nu! Holistik Slaap Pakket Diepste slaap ooit

Pratende planten

Vroeger praatten de bomen met elkaar, zo zeggen onze stamoudsten. Ze vergaderden en bedachten een plan. Maar wetenschappers besloten lang geleden dat planten doofstom zijn, opgesloten in hun eigen wereldje, zonder enige communicatie. De mogelijkheid dat ze gesprekken voeren werd snel weggewuifd. Wetenschap pretendeert zuiver rationeel te zijn, volkomen neutraal, een systeem van kennisvorming waarbij de observatie onafhankelijk is van degene die observeert. En toch werd de conclusie getrokken dat planten niet konden communiceren omdat ze niet over het mechanisme beschikken waarmee díéren praten. Er werd – en wordt – dus louter door de lens van de vaardigheden van dieren gekeken om te beoordelen waartoe planten mogelijk in staat zijn. Tot voor kort onderzocht daardoor niemand serieus de mogelijkheid dat planten weleens met elkaar zouden kunnen ‘praten’. Maar stuifmeel wordt al sinds mensenheugenis op een betrouwbare manier door de wind meegevoerd, van mannelijke aan vrouwelijke planten doorgegeven om die bepaalde soort noten te maken. Als de wind de verantwoordelijkheid van de bevruchting kan worden toevertrouwd, waarom zou hij dan geen boodschappen kunnen doorgeven? Er is nu overtuigend bewijs dat onze voorouders gelijk hadden: bomen praten wel degelijk met elkaar. Ze communiceren via feromonen, hormoonachtige chemische verbindingen die met een bries worden meegevoerd en vol informatie zitten. Wetenschappers hebben een specifieke chemische verbinding ontdekt die een boom afscheidt wanneer hij wordt aangevallen door insecten: plakkers die zijn bladeren opschrokken of schorskevers onder zijn bast. De boom zendt een noodsignaal uit: ‘Hé jongens, ik word hier aangevallen. Misschien kunnen jullie maar beter voorbereidingen treffen en jullie wapenen voor wat jullie kant op komt.’ Bomen die in de wind staan merken die paar waarschuwende moleculen op – het vleugje gevaar. Dat geeft hun de tijd om afweerverbindingen te produceren, en een gewaarschuwde boom telt voor twee. De bomen waarschuwen elkaar en de indringers worden verjaagd. Het individu heeft er voordeel bij, en dus ook het hele bos. Bomen blijken te praten over gezamenlijke verdediging. Zouden ze ook afspreken om in hetzelfde jaar een overvloed aan vruchten te produceren? Er is zoveel wat we nog niet begrijpen met onze beperkte menselijke vaardigheden. Gesprekken tussen bomen gaan onze pet nog ver te boven.

Enkele onderzoeken naar de cyclus van mast- en beurtjaren duiden erop dat de gelijktijdigheid niet een mechanisme is dat via de lucht werkt, maar via de grond. De bomen in een bos zijn vaak met elkaar verbonden door ondergrondse netwerken van mycorrhiza’s: schimmeldraden die zich met boomwortels vermengen. Dankzij deze symbiose kunnen de schimmels minerale voedingsstoffen uit de bodem halen en ze aan de boom afstaan in ruil voor koolhydraten. De mycorrhiza’s kunnen schimmelbruggen tussen afzonderlijke bomen vormen, waardoor alle bomen in het bos met elkaar verbonden zijn. Deze schimmelnetwerken blijken de grote hoeveelheid aan koolhydraten onder de bomen te herverdelen. Als een soort Robin Hood nemen ze van de rijken en geven ze aan de armen, zodat alle bomen op hetzelfde moment een even groot overschot aan koolhydraten bereiken. Ze weven een web van wederkerigheid, van geven en nemen. Alle bomen werken samen doordat de schimmels hen met elkaar verbonden hebben. Door eenheid, door te overleven. Alleen door onderlinge samenwerking kan iets gedijen. Aarde, schimmel, boom, eekhoorn, jongen: allemaal hebben ze baat bij deze uitwisseling.

Cirkel van leven

Bomen overladen ons rijkelijk met voedsel en geven zichzelf letterlijk voor ons leven. Maar door te geven stellen ze ook hun eigen leven weer zeker. Doordat wij nemen, helpen wij hen weer in de cirkel van leven dat leven voortbrengt, de keten van wederkerigheid. Leven volgens de beginselen van eerbiedig oogsten – alleen nemen wat gegeven wordt, het goed benutten, dankbaar zijn voor het geschenk en er iets voor teruggeven – is makkelijk in een klein pecanbos. In ruil voor het geschenk zorgen we voor de bomen, beschermen we ze en planten we zaden, zodat nieuwe bomen voor schaduw zorgen op de prairie en voedsel verschaffen voor de eekhoorns.

Nu, twee generaties later, na de verplaatsingen, na de landtoewijzing, na de kostscholen, na de diaspora, keert mijn familie terug naar Oklahoma, naar wat er nog over is van het lapje grond van mijn grootvader. Vanaf de top van de heuvel kun je langs de rivier nog groepjes pecannotenbomen zien staan. ’s Nachts dansen we op de oude powwowplaatsen. De oude ceremonieën verwelkomen de dageraad. De geur van maissoep en het geluid van trommels vullen de lucht wanneer de negen Potawatomi-volkeren die door de verplaatsingen over het hele land werden verspreid een paar dagen per jaar weer bij elkaar komen, op zoek naar het gevoel van ergens thuishoren.

De Potawatomi Gathering of Nations herenigt het volk en is een tegengif tegen de verdeel-en-heersstrategie die werd gebruikt om ons volk uiteen te drijven en van ons vaderland te scheiden. Wanneer we precies allemaal tegelijk naar deze plaats komen, dat bepalen onze leiders, maar belangrijker nog: er is een soort netwerk van mycorrhiza’s dat ons verenigt – een onzichtbare verbinding van geschiedenis, familie en verantwoordelijkheid, zowel voor onze voorouders als voor onze kinderen. Als natie volgen we het voorbeeld van onze stamoudsten, de pecannotenbomen, door elkaar bij te staan, ten gunste van iedereen. We herinneren ons wat ze zeiden: zonder samenwerking gedijt niets. Dit is een mastjaar voor mijn familie; we zijn allemaal hier op de bijeenkomst, dicht tegen elkaar aan op de grond, als zaden voor de toekomst. Als een embryo dat samen met zijn voedselvoorraad wordt beschermd door een keiharde schil van meerdere lagen hebben we de magere jaren overleefd en bloeien we samen. Ik wandel naar het groepje pecannotenbomen, misschien wel precies de plek waar mijn grootvader zijn broekspijpen volpropte. Hij zou verrast zijn om ons hier allemaal aan te treffen, dansend in een kring, terwijl we terugdenken aan de pecannoten’. Een vlecht van heilig gras, Robin Wall Kimmerer, €24,99, verkrijgbaar via Bol.com

Nieuw! Yoga Nidra & Slaap Pakket

Jouw gids naar je diepste slaap ooit
Bestel nu! Holistik Slaap Pakket Diepste slaap ooit
Vond je dit een leuk artikel? Deel het!

Gerelateerde artikelen

NIEUWSBRIEF
We sturen je wekelijks een overzicht van de populairste artikelen en incidenteel een aanbieding!
We gaan zorgvuldig om met je gegevens. Lees hier onze privacyverklaring.
INSCHRIJVEN
close-link
Gratis Video's
Vul hieronder jouw e-mailadres in en krijg gratis toegang tot alle yoga video's! Daarnaast sturen we je wekelijks onze populairste artikelen en incidenteel een aanbieding.
We gaan zorgvuldig om met je gegevens. Lees hier onze privacyverlaring.
INSCHRIJVEN
close-link
NIEUWSBRIEF
We sturen je wekelijks een overzicht van de populairste artikelen en incidenteel een aanbieding.
We gaan zorgvuldig om met je gegevens. Lees hier onze privacyverklaring.
INSCHRIJVEN
close-link